Ik ben niet van nergens, ik kom
uit Bergland bewoond door leeuwen
ik vocht aan de grensrivier
woonde in burchten onneembaar.
Ik was de god van de flitsende
pijlen, van bogen en zwaarden, 
een vechtgod, verblindend, een snelle
aan roversbenden gewaagd.
Ik tartte de oppermachtigen -
moest het, ik brak ze hun ruggen.
Voor mijn dreigende aanblik 
versteende ruiter en paard.
Zó heb ik onderdrukten bevrijd
uit de greep van tirannen:
godheid was ik vreeswekkend.
 
Ik zocht een andere weg.
Ik daalde af in woestijn
werd een stem uit het vuur:
"Leer elkaar te bevrijden."
Ik schiep een weg van woorden 
die te verstaan en te doen zijn:
brood en recht voor de armen
voor de dorstenden water.
Ik sprak ze in alle talen,
ze staan aan de hemel geschreven:
vriendschap ontferming en trouw.
Ik denk dat ze kunnen. Ik wacht.
 
Ik ben gaan wonen bij mensen
in schemerlicht en verwarring.
Ik wou een kleine-mensen-god zijn.
Liefde sterk als de dood.
 

(Psalm 76 door Huub Oosterhuis)